De verhouding van de schedel tot de
voorsnuit zou 1: 1 moeten zijn. Dit houdt in van de de lengte van de voorsnuit
(van de punt van de neus tot het oog) is gelijk aan de lengte van de schedel
(vanaf het oog tot aan de jachtknobbel). De jachtknobbel is het uitstekende
puntje wat je voelt achter boven op het hoofd. De eerste 25 jaar na opname van
de rasstandaard werd vooropgesteld dat de voorsnuit iets korter moest zijn dan
de schedel. De lengte van de voorsnuit, van de punt van de neus tot aan het oog
moest gelijk zijn aan de verhouding vanaf het oog tot aan de basis van de
schedel. Met de basis werd bedoeld de achterkant van de schedel. In het prille
begin werd aangenomen dat de voorsnuit, van het oog tot aan de punt van de neus,
1/5 korter moest zijn dan de schedel, gemeten van
het oog tot de basis van de schedel. De
lengte van de voorsnuit moest gelijk zijn aan de diepte van de voorsnuit,
vandaar de krachtige onderkaak van groot belang was, dit gaf de Tibetaanse
Terriėr een geblokte voorsnuit. Alles tezamen genomen, lengte van de
voorsnuit in verhouding met de schedel en de diepte van de voorsnuit in
verhouding tot de lengte van de voorsnuit met een correcte stop en de gebogen
jukbeenderen geven de Tibetaanse Terriėr hun rastypische uitstraling en
expressie.
Alles
hierboven beschreven geldt voor een volwassen Tibetaanse Terriėr. Een pupje gaat
met het groter worden door bepaalde groei stadia, waarin het een periode lijkt
(vaak rond de 5e/6e levensmaand) dat de voorsnuit wat langer lijkt en de schedel
wat te smal. Daarnaast staat het hoofd niet altijd in de juiste verhouding tot
het lichaam (rond de 9e-14e levensmaand). Dit alles komt doordat het hoofd als
laatste uitgeroeid tot zijn ware grote.
De neusspiegel hoort zwart te zijn. Bij de
blonde gekleurde exemplaren zien wij wel donker bruin, oftewel niet geheel
diepzwart gepigmenteerde neuzen, wat meer zichtbaar wordt tijdens de winter, of
bij teven tijdens de loopsheid en dracht. Soms kunnen bruinen of roze (ook
gedeeltelijk roze) neuzen een genetisch aangelegenheid zijn.
Het hoofd is overvloedig behaard met de
haarvalling over de ogen. Dit om de ogen te beschermen tegen reflecteerden Ultra
Violet straling, opwaaiende stof en sneeuw, in het land van oorsprong.
De ogen:
Door de overvloedige haarvalling over de
ogen worden zij niet altijd gelijk opgemerkt, ondanks dat je vaak de glinstering
van de ogen tussen de haren ziet door schitteren. De wimpers zijn lang om zo de
haren uit de ogen te houden. De intelligentie en vriendelijkheid van dit
schitterende ras is terug te zien in hun prachtige ogen. De ogen behoren een
ronde vorm te hebben en staan tamelijk wijd uit elkaar. De ogen moeten donker
bruin van kleur zijn. Ze mogen een zwarte tint bezitten. Niet toegestaan zijn
gelige, groenachtige of hazelbruin kleurige ogen. De oogranden zijn zwart. Roze
of gedeeltelijk niet gepigmenteerde oogranden zijn a typische voor dit ras.
karakteristiek voor de Tibetaanse Terriėr
is een mooi donker oog met zwarte oogranden.
Hieronder de rasstandaard beschrijving:
OGEN: Groot, rond, noch uitpuilend noch
diepliggend, tamelijk ver uit elkaar staand. Donkerbruin met zwarte oogranden.
De oren:
De rasstandaard is niet geheel duidelijk
in de plaatsing van de oren in verhouding tot de schedel, maar het is duidelijk
dat de voorkeur uitgaat naar de plaatsing van de oren aan de zijkant van het
hoofd, dan te dicht bij elkaar staand op het hoofd. Het belangrijkste is de
plaatsing van de oren aan de zijkant van het hoofd (de schedel) en het
laatste stuk van het jukbeen, in een boog vallend naar de voorsnuit. De oren
hebben een V-vorm en de lengte mag niet zo lang zijn dat zij in de nek vallen.
Ook mogen de oren niet te dicht tegen het hoofd aan liggen. Tevens ook de oren
zijn overvloedig behaard.
Hieronder de rasbeschrijving:
OREN: Hangend, niet te dicht tegen het
hoofd gedragen, V-vormig, niet te groot, zwaar bevederd.
Het gebit:
In de rasbeschrijving staat geschreven:
GEBIT: Schaar of omgekeerde schaar, de
snijtandjes in een lichte boog geplaatst, gelijkmatig verdeeld en haaks op de
kaak staand.
Het gebit van volwassen honden bevat 42
elementen. Respectievelijk onderverdeeld in:
Bovenkaak: 6 snijtanden, 2 hoektanden, 8
wisselkiezen en 4 echte kiezen
Onderkaak: 6 snijtanden, 2 hoektanden, 8
wisselkiezen en 6 echte kiezen
De onderkaak is niet met de overige
beenderen vergroeid, maar hieraan verbonden door een bewegelijk gewricht
waardoor kauwen mogelijk wordt gemaakt. De gebitselementen bevinden zich in de
holten van de bovenkaak en onderkaak. Afhankelijk van hun vorm en functie worden
zij onderverdeeld in drie groepen.
De Snijtanden: Deze bevinden zich voorin
in de kaak, Ze dienen om voedsel vast te pakken en af te snijden.
Hoektanden: Met behulp van deze tanden kan
de prooi worden vastgehouden. Hoektanden worden ook gebruikt ter verdediging.
In de kaak staan zij tussen de snijtanden
en de kiezen in.
Kiezen: Kiezen staan achter in de kaak
. Met de kiezen wordt het veodsel vermalen of in stukken geknipt en
gescheurd.
tandformule:
|
|
2 echte kiezen (4)wisselkiezen
(1)hoektand (3)snijtanden |
(3)snijtanden
(1)hoektand (4)wisselkiezen 2 echte kiezen
|
|
3 echte kiezen (4)wisselkiezen
(1)hoektand (3)snijtanden |
(3)snijtanden
(1)hoektand (4)wisselkiezen 3 echte kiezen
|
| |
|
|
* de cijfers tussen haakjes geplaatst zijn
de elementen die gewisseld worden
van melkgebit
naar volwassengebit.
Het gedeelte wat wij kunnen zien van de
tanden en kiezen is de kroon. De kroon is bedekt met een laagje zeer hard email.
Het gedeelte wat zich in de kaak bevindt is de wortel, deze is niet met email
bedekt. Hij zorgt ervoor dat de tand en/of kies stevig blijft vast zitten in de
kaak. Vanuit de kaak lopen er zenuwen en haarvaten door de tand. Het holle
gedeelte wordt pulpaholte genoemd. Om de tand/kies ligt vanuit de kaak een
laagje cement, voor extra versteviging.
Bij de Tibetaanse Terrier worden twee
verschillende type van het gebit toegelaten. Het schaargebit, het gebit staat in
de vorm van een schaar, met de boventanden sluitend over de ondertanden. Het
omgekeerde schaargebit, wederom staat het gebit in de vorm van een schaar,
alleen staan de ondertanden sluitend over de boven boventanden.Ten alle tijden
moet het gebit compleet zijn. In de eerste jaren dat de Tibetaanse Terrier in
Europe kwam zag men meer het omgekeerde schaargebit dan hedendaags, doch zou het
omgekeerde schaargebit karakterestiek zijn voor het rastypische hoofd van de
tibetaanse terrier, omdat vaak in samenhang met de omgekeerde schaar, de
geliefde sterk ontwikkelde onderkin meer tot uiting kwam. Niettemin dat ook met
een schaargebit er een mooie onderkin aanwezig kan zijn. Sterke fouten zijn:
bovenbijt, dit is als de boventanden teveel ruimte geven tussen de stand van
tanden in het schaargebit, dit wordt ook wel eens een varkensgebit genoemd.
Ondervoorbeet, dit is wanneer de
ondertanden teveel ruimte laat zien tussen de tanden in het omgekeerde
schaargebit. Het tanggebit, waarbij de tanden van het ondergebit en bovengebit
recht op elkaar staan. En als laatste het kruisgebit, waarbij de tanden
onregelmatig in de boog staan van de kaak. De tanden moeten in een lichte boog
gelijkmatig geplaatst zijn.
De schedel behoort een middelmatige
lengte te hebben in balans met de rest van het lichaam. Dit is een groot
verschil tot andere Tibetaanse rassen. Een te kort of te lang hoofd in
verhouding met het lichaam is een fout. De schedel mag ook niet te breed of te smal zijn in verhouding tot
het lichaam. De schedel zelf mag niet smal zijn van oor tot oog, de aanzet van
de oren aan beide kanten van de schedel maakt het hoofd smaller van oor tot oog.
De schedel is tamelijk breed, maar mag niet teveel gewelfd of te vlak zijn.
Een lang smal hoofd is altijd incorrect.
De jukbeenderen geven vorm aan het
aangezicht, zij behoren gebogen te zijn, maar mogen nooit uitsteken. De stop,
dit is de plaats tussen de ogen oplopend naar de schedel, moet duidelijk
zichtbaar zijn, maar mag niet overdreven aanwezig zijn.
De voorsnuit
behoort vol en sterk te zijn. Dit in combinatie met de
juiste lengte en diepte, tezamen met een goed ontwikkelde onderkin. De voorsnuit
mag nooit te lang of te smal zijn. Het enige gedeelte wat iets smaller is, is
het gedeelte onder het oog lopend naar de het einde van de neus. De lijn van de
voorsnuit loopt mee in de lijn van de schedel, met het puntje van de neus op de
gelijke hoogte van de stop.