Het rastypische hoofd van de
Tibetaanse Terriėr
Elk ras heeft een rasstandaard,ook de Tibetaanse
Terriėr. Hierin wordt elk onderdeel van de hond besproken, zo ook het hoofd.
In onze rasstandaard wordt het hoofd beschreven zoals hieronder:
HOOFD EN SCHEDEL: Schedel van middelmatige lengte, niet breed of grof, enigszins versmallend van oor naar oog, noch gewelfd noch geheel vlak tussen de oren. De jukbeenderen zijn gebogen, maar niet zo sterk ontwikkeld dat ze uitsteken. Duidelijke maar niet overdreven stop, krachtige snuit met goed ontwikkelde onderkaak. De lengte van de neuspunt tot aan het oog is gelijk aan de lengte van oog tot aan de achterkant van de schedel. Zwarte neus. Het hoofd is rijkelijk voorzien van lang haar dat naar voren over de ogen valt. De onderkaak heeft een kleine maar niet overdreven baard.

Natuurlijk lijkt de rasstandaard zoals hierboven beschreven een groot begrip, daarom willen we graag alles nog eens uitgebreid op een rijtje zetten.

De schedel:   Als we over de schedel spreken, bedoelen we eigenlijk het gedeelte waaronder de hersenen zich bevinden,  dit gedeelte wordt de  hersenschedel genoemd.

Het andere gedeelte noemen we de aangezichtsschedel.

De hersenschedel  bestaat uit een aantal komvormige platte beenderen, die stevig met elkaar zijn vergroeid. De onderkant heet schedelbasis met daarbij behorend zeefbeen.

De aangezichtsschedel is het gedeelte waarin de oogkassen, de jukbeenderen, het neusbeen en de beide kaken zich bevinden.
1   - neusbeen
2   - oogkas
3   - schedeldak
4   - achterhoofdsknobbel
5   - bovenkaak
6   - jukbeen
7   - kaakgewricht
8   - rotsbeen
9   - gehooropening
10 - onderkaak
a  - snijtanden (3)
b  - hoektand (1)
c  - valse kiezen (4)
d  - ware kiezen (2 resp. 3)

* dit is natuurlijk een
  gedeelte van het gebit,
  het complete gebit wordt
  later in dit artikel
  besproken.
  
DSCF2831.JPG
De schedel behoort een middelmatige lengte te hebben in balans met de rest van het lichaam. Dit is een groot verschil tot andere Tibetaanse rassen. Een te kort of te lang hoofd in verhouding met het lichaam is een fout. De schedel mag ook niet te breed of te smal zijn in verhouding tot het lichaam. De schedel zelf mag niet smal zijn van oor tot oog, de aanzet van de oren aan beide kanten van de schedel maakt het hoofd smaller van oor tot oog. De schedel is tamelijk breed, maar mag niet teveel gewelfd of te vlak zijn.  Een lang smal hoofd is altijd incorrect.
De jukbeenderen geven vorm aan het aangezicht, zij behoren gebogen te zijn, maar mogen nooit uitsteken. De stop, dit is de plaats tussen de ogen oplopend naar de schedel, moet duidelijk zichtbaar zijn, maar mag niet overdreven aanwezig zijn.
De voorsnuit behoort vol en sterk te zijn. Dit in combinatie met de juiste lengte en diepte, tezamen met een goed ontwikkelde onderkin. De voorsnuit mag nooit te lang of te smal zijn. Het enige gedeelte wat iets smaller is, is het gedeelte onder het oog lopend naar de het einde van de neus. De lijn van de voorsnuit loopt mee in de lijn van de schedel, met het puntje van de neus op de gelijke hoogte van de stop. De verhouding van de schedel tot de voorsnuit zou 1:1 moeten zijn. Dit houdt in van de de lengte van de voorsnuit (van de punt van de neus tot het oog) is gelijk aan de lengte van de schedel (vanaf het oog tot aan de jachtknobbel). De jachtknobbel is het uitstekende puntje wat je voelt achter boven op het hoofd. De eerste 25 jaar na opname van de rasstandaard werd vooropgesteld dat de voorsnuit iets korter moest zijn dan de schedel. De lengte van de voorsnuit, van de punt van de neus tot aan het oog moest gelijk zijn aan de verhouding vanaf het oog tot aan de basis van de schedel. Met de basis werd bedoeld de achterkant van de schedel. In het prille begin werd aangenomen dat de voorsnuit, van het oog tot aan de punt van de neus, 1/5 korter moest zijn dan de schedel, gemeten van
het oog tot de basis van de schedel. De lengte van de voorsnuit moest gelijk zijn aan de diepte van de voorsnuit, vandaar de krachtige onderkaak van groot belang was, dit gaf de Tibetaanse Terriėr een geblokte voorsnuit.
Alles tezamen genomen, lengte van de voorsnuit in verhouding met de schedel en de diepte van de voorsnuit in verhouding tot de lengte van de voorsnuit met een correcte stop en de gebogen jukbeenderen geven de Tibetaanse Terriėr hun rastypische uitstraling en expressie.

Alles hierboven beschreven geldt voor een volwassen Tibetaanse Terriėr. Een pupje gaat met het groter worden door bepaalde groei stadia, waarin het een periode lijkt (vaak rond de 5e/6e levensmaand) dat de voorsnuit wat langer lijkt en de schedel wat te smal. Daarnaast staat het hoofd niet altijd in de juiste verhouding tot het lichaam (rond de 9e-14e levensmaand). Dit alles komt doordat het hoofd als laatste uitgeroeid tot zijn ware grote.

De neusspiegel hoort zwart te zijn. Bij de blonde gekleurde exemplaren zien wij wel donker bruin, oftewel niet geheel diepzwart gepigmenteerde neuzen, wat meer zichtbaar wordt tijdens de winter, of bij teven tijdens de loopsheid en dracht. Soms kunnen bruinen of roze (ook gedeeltelijk roze) neuzen een genetisch aangelegenheid zijn.

Het hoofd is overvloedig behaard met de haarvalling over de ogen. Dit om de ogen te beschermen tegen reflecteerden Ultra Violet straling, opwaaiende stof en sneeuw, in het land van oorsprong.

 

De ogen:
Door de overvloedige haarvalling over de ogen worden zij niet altijd gelijk opgemerkt, ondanks dat je vaak de glinstering van de ogen tussen de haren ziet door schitteren. De wimpers zijn lang om zo de haren uit de ogen te houden. De intelligentie en vriendelijkheid  van dit schitterende ras is terug te zien in hun prachtige ogen. De ogen behoren een ronde vorm te hebben en staan tamelijk wijd uit elkaar. De ogen moeten donker bruin van kleur zijn. Ze mogen een zwarte tint bezitten. Niet toegestaan zijn gelige, groenachtige of hazelbruin kleurige ogen. De oogranden zijn zwart. Roze of gedeeltelijk niet gepigmenteerde oogranden zijn a typische voor dit ras.  
karakteristiek voor de Tibetaanse Terriėr is een mooi donker oog met zwarte oogranden.

Hieronder de rasstandaard beschrijving:
OGEN: Groot, rond, noch uitpuilend noch diepliggend, tamelijk ver uit elkaar staand. Donkerbruin met zwarte oogranden.

De oren:
De rasstandaard is niet geheel duidelijk in de plaatsing van de oren in verhouding tot de schedel, maar het is duidelijk dat de voorkeur uitgaat naar de plaatsing van de oren aan de zijkant van het hoofd, dan te dicht bij elkaar staand op het hoofd. Het belangrijkste is de plaatsing van de oren  aan de zijkant van het hoofd (de schedel) en het laatste stuk van het jukbeen, in een boog vallend naar de voorsnuit. De oren hebben een V-vorm en de lengte mag niet zo lang zijn dat zij in de nek vallen. Ook mogen de oren niet te dicht tegen
typisch hoofd tibetaanse terrier
het hoofd aan liggen. Tevens ook de oren zijn overvloedig behaard.

Hieronder de rasbeschrijving:
OREN: Hangend, niet te dicht tegen het hoofd gedragen, V-vormig, niet te groot, zwaar bevederd.

Het gebit:

In de rasbeschrijving staat geschreven:
GEBIT: Schaar of omgekeerde schaar, de snijtandjes in een lichte boog geplaatst, gelijkmatig verdeeld en haaks op de kaak staand.

Het gebit van volwassen honden bevat 42 elementen. Respectievelijk onderverdeeld in:
Bovenkaak: 6 snijtanden, 2 hoektanden, 8 wisselkiezen en 4 echte kiezen
Onderkaak: 6 snijtanden, 2 hoektanden, 8 wisselkiezen en 6 echte kiezen
gebit tibetaanse terrier

De onderkaak is niet met de overige beenderen vergroeid, maar hieraan verbonden door een bewegelijk gewricht waardoor kauwen mogelijk wordt gemaakt. De gebitselementen bevinden zich in de holten van de bovenkaak en onderkaak. Afhankelijk van hun vorm en functie worden zij onderverdeeld in drie groepen.

De Snijtanden: Deze bevinden zich voorin in de kaak, Ze dienen om voedsel vast te pakken en af te snijden.
Hoektanden: Met behulp van deze tanden kan de prooi worden vastgehouden. Hoektanden worden ook gebruikt ter verdediging.
In de kaak staan zij tussen de snijtanden en de kiezen in.
Kiezen: Kiezen staan achter in de kaak   . Met de kiezen wordt het veodsel vermalen of in stukken geknipt en gescheurd.  

                 tandformule:





 2 echte kiezen  (4)wisselkiezen   (1)hoektand   (3)snijtanden
 (3)snijtanden  (1)hoektand   (4)wisselkiezen  2 echte kiezen
 = bovenkaak
 3 echte kiezen  (4)wisselkiezen   (1)hoektand   (3)snijtanden     
 (3)snijtanden  (1)hoektand   (4)wisselkiezen  3 echte kiezen
 = onderkaak





* de cijfers tussen haakjes geplaatst zijn de elementen die gewisseld worden
tand3.jpg
van melkgebit naar volwassengebit.
            
Het gedeelte wat wij kunnen zien van de tanden en kiezen is de kroon. De kroon is bedekt met een laagje zeer hard email. Het gedeelte wat zich in de kaak bevindt is de wortel, deze is niet met email bedekt. Hij zorgt ervoor dat de tand en/of kies stevig blijft vast zitten in de kaak. Vanuit de kaak lopen er zenuwen en haarvaten door de tand. Het holle gedeelte wordt pulpaholte genoemd. Om de tand/kies ligt vanuit de kaak een laagje cement, voor extra versteviging.

Bij de Tibetaanse Terrier worden twee verschillende type van het gebit toegelaten. Het schaargebit, het gebit staat in de vorm van een schaar, met de boventanden sluitend over de ondertanden. Het omgekeerde schaargebit, wederom staat het gebit in de vorm van een schaar, alleen staan de ondertanden sluitend over de boven boventanden.Ten alle tijden moet het gebit compleet zijn. In de eerste jaren dat de Tibetaanse Terrier in Europe kwam zag men meer het omgekeerde schaargebit dan hedendaags, doch zou het omgekeerde schaargebit karakterestiek zijn voor het rastypische hoofd van de tibetaanse terrier, omdat vaak in samenhang met de omgekeerde schaar, de geliefde sterk ontwikkelde onderkin meer tot uiting kwam. Niettemin dat ook met een schaargebit er een mooie onderkin aanwezig kan zijn. Sterke fouten zijn: bovenbijt, dit is als de boventanden teveel ruimte geven tussen de stand van tanden in het schaargebit, dit wordt ook wel eens een varkensgebit genoemd.
Ondervoorbeet, dit is wanneer de ondertanden teveel ruimte laat zien tussen de tanden in het omgekeerde schaargebit. Het tanggebit, waarbij de tanden van het ondergebit en bovengebit recht op elkaar staan. En als laatste het kruisgebit, waarbij de tanden onregelmatig in de boog staan van de kaak. De tanden moeten in een lichte boog gelijkmatig geplaatst zijn.                  
typisch hoofd tibetaanse terrier
Copyright © Tibetaanse Terrier Ras- & Pupinformatie
typisch hoofd tibetaanse terrier
1
5
2
3
4
9
8
7
6
10
a
b
c
d