Heupdysplasie: een groot
probleem maar is er een oplossing?
Enkele maanden geleden kwam op
mijn spreekuur een enthousiast stel met een 5 maanden oude Labrador
met de mededeling dat hun puppy zo veel bleef liggen en zo weinig
aktief was. Af en toe, zeiden ze verder, trok hij met zijn
rechterachterbeen. De trainer op de puppycursus had er ook al een
opmerking over gemaakt.
Tijdens het onderzoek bleek
dat strekking van het rechter heupgewricht erg pijnlijk was. De
gezichten van beide eigenaren vertrokken en ze vroegen of dit
betekende dat hun hond heupdysplasie had. Ik antwoorde dat we een
rontgenfoto zouden maken om precies vast te stellen wat de oorzaak
was. Daarbij bleek dat de rechterheupkop grotendeels uit de kom was,
evenals de linker.
Het was duidelijk
heupdysplasie, nog steeds de meest voorkomende orthopedische
aandoening bij de hond.
Inleiding
Sinds in 1937 de eerste
beschrijving van heupdysplasie bij de hond het daglicht zag, is er
veel onderzoek uitgevoerd naar de ontstaanswijze, de oorzaken en de
behandeling van HD. In het navolgende artikel zal ik trachten de
huidige stand van zaken weer te geven en met name aandacht te
besteden aan het voorkomen van HD op korte čn op lange termijn.
Wat is heupdysplasie?
Het begrip dysplasie komt uit
het oud Grieks en betekent misvorming. Het is een
ontwikkelingsstoornis waarbij in 1e instantie na de geboorte tijdens
de groei speling ontstaat tussen de heupkop en de heupkom. De kop
ligt niet mooi aangesloten in de kom tijdens het staan en de
beweging. Daarbij spelen allerlei faktoren een rol. Te noemen zijn:
de gewrichtsbanden, de bespiering rond het heupgewricht, de
gewrichtsvloeistof en ook de vorm en de stand van kop en kom. Is er
veel speling dan ontstaat er een verhoogde slijtage, die men ook wel
arthrose noemt. Die arthrose geeft een aantal veranderingen
die genoemt worden in het bijgevoegde staatje. In het algemeen kan
je zeggen dat het gewricht op den duur stijver wordt, minder
bewegingsmogelijkheden heeft, en veel gevoeliger of zelfs pijnlijk
wordt.
Wat kun je aan de hond merken?
De te losse heup kan al vanaf
4 maanden leiden tot pijnlijkheid, kreupelheid en afwijkend
gangwerk. Een hele slungelige en zwakke gang kunnen deze honden
vertonen. Veel blijven liggen en moeilijk opstaan is een
veelgehoorde klacht. De achterhand blijft achter in ontwikkeling, in
tegenstelling tot de voorhand die juist door de verhoogde belasting
sterker ontwikkeld wordt.
De belangrijkste veranderingen
bij de oudere hond zijn, voortvloeiend uit de arthrose, terug
te voeren op stijfheid, een verhoogde gevoeligheid of pijnlijkheid.
Het moeilijker opstaan en niet meer willen springen of traplopen is
vaak opvallend. De hond blijft veel meer liggen en is minder aktief
gedurende de dag. Soms kan dit leiden tot karakterveranderingen:
humeuriger tot zelfs afwerend zijn, niet aangeraakt willen worden in
de achterhand.
Uiteindelijk kun je verlies
van bespiering in de achterhand zien, hetgeen de situatie nog verder
verergert.
Het vaststellen van de
diagnose
De dierenarts die met
bovenstaande verschijnselen geconfronteerd wordt tracht vervolgens
middels zijn onderzoek de diagnose HD bevestigen. Allereerst neemt
hij het verhaal van de eigenaar met hem door. Daarna wordt de hond
gemonsterd en kun je een indruk vormen van het type en de ernst van
de stijfheid of kreupelheid. Ook een verminderde bespiering,
eventueel eenzijdig, kun je zo al opmerken. Dan
volgt het onderzoek op tafel. Hierbij wordt de hond in zijligging
gebracht en wordt het hele achterbeen afgevoeld en de gewrichten
systematisch onderzocht. Het heupgewricht wordt gestrekt en gebogen
en er wordt getracht vast te stellen of er pijnlijkheid is hierbij.
Ook een eventuele verminderde bewegingsmogelijkheid is van belang.
Crepitatie (schuren, kraken) wordt soms opgemerkt.
Vervolgens wordt getracht of
men de kop loodrecht op de tafel uit de kom kan bewegen, om zo een
indruk van speling en pijnlijkheid te krijgen.
Het rontgenologisch
onderzoek
De uiteindelijk diagnose wordt
bevestigd door het maken van rontgenopnames van het heupgewricht.
Traditioneel, al meer dan 30 jaar, wordt hiervoor de hond op
zijn rug gelegd en de achterbenen parallel aan de tafel naar
achteren getrokken, waarbij de knieschijven precies midden op het
bovenbeen worden geprojecteerd. Dit is de standaardpositie I volgens
het FCI en Hirschfeldstichting protocol. In Nederland is het
gebruikelijk ook nog een opname standaardpositie II te maken;
hierbij worden de benen naar voren gebracht en de
hakken naar buiten gedraaid en parallel aan de tafel gehouden
(kikkerhouding).
Je kunt hierbij de mate van
arthrose aan beide heupgewrichten vaststellen (misvorming aan de kop
en kom, extra botwoekeringen), en een indruk vormen van de
aansluiting cq speling van de heupgewrichten (Norbergwaarde
meten en berekenen).
Men heeft deze methoden ook al
jarenlang gebruikt om preventief in het kader van verantwoord fokken
vast te stellen of een hond HD gevoelig is of niet. Er daarbij van
uitgaand dat er een hoge erfelijkheidsfaktor is voor HD en dat we
dus een verbetering kunnen krijgen als we maar screenen en
vervolgens selecteren op de besten.
Problemen van het huidige
rontgenologisch onderzoek
Dit brengt ons direkt bij de
grote valkuil van het diagnostiseren van HD: het blijkt dat de
bovenbeschreven methode in de diverse landen verschillend wordt
uitgelegd, wat tot grote onduidelijkheid en ergernis leidt in de
fokkerij, en erger nog, er is inmiddels een overdaad aan
wetenschappelijk bewijs dat čn deze methode onvoldoende in staat is
speling van het heupgewricht vast te stellen čn dat hiermee de
mogelijkheden in het kader van de fokkerij zeer beperkt zijn. Daar
kom ik dadelijk op terug.
Een ander belangrijk probleem
bij het screenen is dat niet alle honden worden gecontroleerd. Soms
worden bijvoorbeeld uit een nest alleen diegenen gescreened waarmee
gefokt wordt, of waarmee naar een show gegaan wordt. De genetische
eigenschappen van de andere nestgenoten zijn ook van belang voor de
fokwaarde van de gescreende honden!
Daardoor zijn we de afgelopen
jaren niet of nauwelijks vooruit gekomen in de bestrijding van HD.