De zomer is iets waar we elk
jaar weer naar uit kijken. We trekken er veel op uit, een heerlijke
boswandeling, die zijn verkoeling geeft onder zijn hoge
welgebladerde bomen. Onze hond kan vaak lekker los, door elk
struikje en ongekend gebied struinen. Elk jaar groeit er weer hoog
gras in onze prachtige natuurgebieden. Dit wilde gras heeft
voor honden soms een groot nadeel; dit gras bevat 'grasaren'.
Grasaren hebben een scherpe
punt aan de voorkant en aan de achterkant kleine weerhaakjes.
Hierdoor kunnen ze zich zeer
gemakkelijk aan de vacht van onze hond vasthechten. Dat gebeurt
natuurlijk vooral bij honden met een langharige vacht.
Deze kleine zaadjes kunnen
soms door de huid van uw Tibetaan naar binnen dringen. Daardoor
wordt de grasaar ook wel eens een 'kruiper' genoemd.
Grasaren breken van de wilde
grassen af als de hond er door heen loopt of rent. Als een grasaar
eenmaal 'aan' uw hond zit, kan hij maar één kant uit: vóóruit en dat
is dikwijls: naar binnen!
De meeste grasaren komen
daarom tussen de tenen terecht. Ze hechten zich aan en in het zachte
weefsel tussen de tenen.
Voor het lichaam zijn deze
zaadjes lichaamsvreemd materiaal en de reactie hierop is een
ontsteking.
Ook komen de zaadjes dikwijls
in het oor terecht en kunnen daar een pittige oor-ontsteking
veroorzaken.
Of nog erger - als ze niet op
tijd worden verwijderd - door het trommelvlies heen dringen.
Of de zaadjes kunnen via het
oog achter de oogbol terechtkomen en daar een ernstige ontsteking
veroorzaken.
Ook komt het voor dat
grasaren worden ingeslikt en in de keelholte of slokdarm blijven
steken en veel ellende geven.
Dan ontstaat er een dikwijls
een onsteking met 'fistel' om het ontstekingsvocht af te voeren.