Om het A-diploma te behalen
moeten voor de oefeningen A t/m
E tenminste een 6 behaald zijn.
Om het B-diploma te behalen
moeten voor de oefeningen A t/m
H tenminste een 6 behaald zijn.
Om het C-diploma te
behalen moeten voor de oefeningen A t/m
K tenminste een 6 behaald zijn.
De oefeningen zijn:
A -
Aangelijnd en los volgen. Het bekende zandlopertje waarbij zowel 40
meter aan de lijn als 40 meter met een los volgende hond moet worden
afgelegd.
B - Komen op bevel met verleiding. De hond moet
over een afstand van ca. 30 meter door een ‘poort’ van 3 tot 5 meter
breed waar diversen verleidingen op de grond liggen zo snel mogelijk
bij de baas komen. Deze verleidingen kunnen bestaan uit pluche
beesten, omgevallen hindernissen, voetballen, kistjes, paraplu’s
e.d.
C - Houden van de aangewezen plaats. De hond moet 2
minuten met de geleider uit zicht, rustig op zijn plaats blijven.
D - Apport te land. De hond moet een apport welke
op ca. 30 meter op overzichtelijk terrein wordt opgeworden zo snel
mogelijk apporteren.
E - Apport over een hindernis. Geleider en hond
staan op ca. 3 meter van een dichte hoogtesprong. Op ca. 30 meter
wordt er een apport opgegooid wel de hond via de hoogtesprong moet
gaan apporteren. Bij de kleine honden is de hoogte van de hindernis
45 cm en bij de grote honden 60 cm.
F - Verloren apport te land. De hond moet op een
beperkt gebied zijn apport gaan zoeken en apporteren. Dit gebied kan
zijn een grasveld met daarop stroballen en takken, maar ook een
grasveld met daarop behendigheidstoestellen of een stukje bos. Zodra
de geleider de hond heeft uitgestuurd moet deze achter een schutting
gaan staan. Zo kan er gekeken worden of de hond wel zelfstandig kan
zoeken. Zodra de hond het apport gevonden heeft mag de geleider weer
tevoorschijn komen.