De ligging van het bekken
speelt een rol bij de stuwing en paslengte in de achterhand. Het
bekken behoort bij onze tibetaanse terrier mooi vlak te liggen.
De heupkom en de kop van het
dijbeen vormen tesamen het heupgewricht genoemd.
Het dijbeen vormt ook een gewricht met het
scheenbeen en het kuitbeen, namelijk, het kniegewricht. Het gewricht
wordt niet alleen bij elkaar gehouden door een gewrichtskapsel, maar
ook door gewrichtsbanden. In de voorste gewrichtsbanden bevindt zich
de knieschijf.
Door deze extra versteviging
tijdens het lopen en springen grote krachten worden uitgeoefend.
Het spronggewricht (hak of hiel) wordt gevormd door de voetwortelbeentjes. Het
spronggewricht bevindt zich een stuk boven de grond
De voeten:
In onze rasstandaard staat
omschreven:
VOETEN: Groot en rond, zwaar behaard met haar tussen de tenen
en voetzolen, staat goed met de voetzolen op de grond, voeten niet
gebogen.
Ons ras is het enigste ras dat
niet een teenganger is maar een zoolganger, dit houdt in dat de
voeten plat op de grond staan. De voeten moeten groot, en vooral
rond zijn. De voetenzolen zijn dik. De Tibetaanse Terrier draagt
zijn gewicht op het midden van zijn voet. De achtervoeten zijn
relatief een beetje kleiner dan de voorvoeten. De voeten moeten
altijd recht vooruit staan, nooit naar binnen of naar buiten
draaiend.
De benen moeten recht zijn en
evenredig met de voorbenen van wijdte geplaatst zijn.
De hakken mogen niet in of
uitdraaien. De benen moeten goed geplaats zijn onder het lichaam.
Dit houdt in ze mogen niet ondergeschoven staan (teveel onder het
lichaam geplaatst). Maar zij mogen ook weer niet teveel buiten het
lichaam geplaatst staan (als het ware achter het lichaam aan).
De hak moet mooi laag
geplaatst zijn, dus geen hoge hakken. Dit vanwege een goede
flexibiliteit in het sprongvermogen.
De gehele achterhand moet
zwaar behaard zijn en zo ook tussen de voetzolen moeten zij behaard
zijn.
De funktie van de achterhand
is: